‘Krab achter je oren’ deel 21: De basis van werkwoord spelling  1: -D/ -T/-DT

Deze week haal ik even wat spellingkennis op over werkwoordspelling.

Misschien schrijf je woorden op gevoel op of doe je dat op de manier waarop ze in jouw oren goed klinken. Maar bij deze uitleg ga ik even helemaal terug naar de basis van werkwoordspelling.

Een werkwoord is een woord dat aangeeft dat er iets gebeurt of iemand iets doet.

Zoals: fietsen, liggen, typen, schrijven, solliciteren, lezen, lachen.

Je kunt een werkwoord vinden door te vragen:  Wat doe ik? Wat doet hij/zij? Wat doen zij/jullie?

De persoonsvorm is een werkwoord dat de tijd aangeeft. Je vindt de persoonsvorm door de tijd te veranderen.

Zoals:

Ik solliciteer vandaag. Ik solliciteerde vorige week.

Zij schrijft nu een brief. Zij schreef gisteren een brief.

Hij leest mijn CV nu. Hij las mijn CV vorige maand.

Wie maakt de folder? Wie maakte de folder?

Je kunt de persoonsvorm ook vinden door de zin vragend te maken. (Behalve als het al een vragende zin is. Dan moet je de tijd veranderen).

Solliciteer jij vandaag?”

Schreef jij gisteren een brief?”

Leest hij mijn CV?”

Voor het schrijven van de ik-vorm haal je –en van het hele werkwoord af:

Fietsen: ik fiets

Lachen: ik lach

Typen: ik typ

Hij/ zij/ het/ naam: schrijf de ik –vorm  +t

Ik fiets – Hij fietst

Ik lach – Zij lacht

Ik typ – Marjan typt

Wij /jullie / zij: volledige werkwoord.

Wij fietsen

Jullie lachen

Zij typen

Werkwoorden met een eind –d behouden de –d. (De D gaat altijd mee!).

Ik vind, ik houd, ik brand, ik meld, enz: is altijd met alleen een d in de ik-vorm.

Wanneer gebruik je –DT?

Alléén bij woorden die een D hebben in het hele werkwoord: Vinden, houden, branden, melden, enz.

Alléén bij de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd (nu).

Hij/zij/naam: vindt, houdt, brandt, meldt.

Dus géén DT:

– als er geen D in het werkwoord zit: Typen, lezen, lopen, enz.

– als het verleden tijd is.

– als het de ik-vorm is.

– als jij erachter komt. (of  ‘je’ dat door jij te vervangen is:  bij “vindt je zus” schrijf je wel dt. (‘vindt jij zus’ klopt namelijk niet).

Gebiedende wijs is te vergelijken met een commando:

Gebiedende wijs schrijf je altijd als de ik-vorm.

‘Loop eens door!’

‘Word wakker!’

‘Red de olifant!’

Is het iets beleefder; (er wordt u bij gebruikt), komt er wel een –t bij:

‘Zegt u het maar’.

‘Gaat u maar liggen’.

‘Blijft u maar staan’.

Een persoonsvorm in de tegenwoordige tijd kan dus eindigen op D, T, of DT. Dit hoor je niet altijd: Ik vind, moeder vindt. klinkt hetzelfde.

TIP: Daarom is het handig om de persoonsvorm te vervangen door het woord ‘lopen’. Ik loop, moeder loopt. Dan hoor je wel een extra T bij moeder en niet bij de ik-vorm.

Bijvoorbeeld: Rijdt hij te hard? (Je hoort de DT niet; vervang door lopen). Loopt hij te hard? Hier hoor je de T wel. Dus er komt DT bij ‘hij rijdt’.

Volgende week meer over werkwoordspelling in de verleden tijd.

Heb je een vraag over spelling of schrijven? Neem dan gerust contact op via de contactpagina. Hier mag je je ook aanmelden voor Nieuws& Tips. Dan krijg je hierover 1x per week een mailtje.

Tot volgende week!

Hartelijke groet,

Marjan

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *